De Boot!

Het zal zo’n beetje geweest zijn in de tijd dat ik de op de LTS zat, in afwachting van het toetreden tot het Korps Mariniers, dat mijn vader en moeder een hechte vriendschap hadden met o.a. Klaar en Piet La Grouw. Mijn vader werkte nog voor zichzelf, samen met zijn broer en neef hadden ze een schildersbedrijfje waarin ze veel burgerwerk hadden. Ome Piet, had inmiddels een flink schildersbedrijf opgebouwd.

Ze hadden elkaar al vroeg (ver voor mijn geboorte) leren kennen en trokken vaak samen op. Mijn moeder en Tante Klaar, de onvolprezen vrouw van ome Piet, konden het samen erg goed vinden. Samen brachten ze menige vakantie door, erop uit met de auto.

Vakanties die steevast begonnen in Brunssum.

Daar was mijn moeder grootgebracht en daar woonden mijn Opa en Oma nog steeds en ook een broer en de zussen van mijn moeder. Toen ik kleiner was werd die tussenstop gebruikt om mij voor een paar weken bij mijn grootouders te parkeren en zo de weg vrijmakend voor hun gezamenlijke vakanties. Na een week of twee, drie werd ik dan weer netjes opgehaald. De laatste nacht werd dan bij mijn grootouders doorgebracht wat aanleiding was voor de rest van de familie om ook even langs te komen. Amsterdam was in die tijd een dag reizen verder en dus zag je elkaar wat minder vaak en was zo’n bijeenkomst een beetje vergelijkbaar met een reünie! Waarbij de laatste avond meestal op een compleet feest uitdraaide.

De weekenden zochten Tante klaar, Ome Piet en mijn ouders elkaar ook vaak op.  Meestal was het op vrijdagmiddag tijd om de salarissen uit te betalen. Gewoon in de kroeg kwamen de werknemers langs en namen hun loonzakje in ontvangst, negen van de tien keer werd er meteen een aanslag gedaan op de inhoud om de kroegbaas af te betalen wat de hele week op de lat was bijgeschreven.

Op een van die vrijdagen moet het zijn geweest dat Ome Piet mijn vader vertelde dat hij een “bootje” gekocht had. Dat “bootje” bleek 16 meter lang te zijn en gaf onderdak aan twee grote Ford dieselmotoren, die zorgde dat die kolos kon varen en dat er voldoende stroom was aan boord om de lichtjes te laten branden. Er was echter nog een klein probleempje, de boot was nog casco! Dat betekende dat er geen raam in zat, geen afwerking was, geen kabels waren getrokken en de wanden nog compleet open waren en dat je binnen alleen van spant naar spant kon huppen. Ook moest de boot nog worden afgeschilderd. Hij lag als het ware nog in de grondverf en dat was een soort oranje menie die het geheel nou niet echt een charmante aanblik gaven. Kortom hij was groot en hij was lelijk! Dat was zo’n beetje de samenvatting.

Alles bij elkaar was iedereen erg enthousiast Er zou een plekje gezocht gaan worden voor de boot zodat er gewerkt kon gaan worden aan zijn verschijning. Dat werken aan ging dus gebeuren in de vrije uren die er waren, de feestdagen, de weekenden en elk vrij uurtje werd besteed aan het opknappen van de boot. Voor zover ik me kan herinneren was de eerste stek waar werd afgemeerd aan het eilandje de Woude in het Alkmaardermeer

 

Alkmaardermeer en de Woude

Hier werd de tijd verdeeld tussen vissen en timmeren, schilderen en alles wat er maar bij kwam kijken. De mannen waar daar druk mee en de vrouwen zorgde dat de inwendige mens niets te kort kwam. Kortom een prachttijd. Op de Woude was 1 kroeg annex supermarktje, dus van alle gemakken voorzien. De boot begon langzaam maar zeker te transformeren naar een echte boot. 

De tijdelijke vloeren werden erin gelegd, provisorische kabels verzorgde het Electra en ook in de hutten voor en achter werden de tijdelijke vloeren gelegd. Voor en achter werden, min of meer, vast slaapplaatsen ingericht en werd de badkamer functioneel gemaakt. Tussen de salon en de voorste slaapplaats was een keukentje verschenen waar de dames virtuoos hun keukenkunsten konden botvieren. Waren er in het begin alleen koelboxen, al snel was er een ijskast geplaatst want de drank moest natuurlijk wel koel blijven, net als de wurmen en maaien trouwens. In de salon was een grote ruime eettafel in elkaar gezet en langs de wanden van het binnen werk waren vast banken verrezen. In het begin werd de tafel aan de kant geschoven en werden er ‘s avonds luchtbedden geplaatst voor eenieder die bleef slapen. De drie zonen van Ome Piet en Tante Klaar en hun vrouwen of verkering waren natuurlijk ook regelmatig te vinden aan boord.

Er staat me van de Woude nog een ding heel goed voor ogen. ’s Avonds zaten we vaak buiten aan dek te genieten van d zomerzwoelte en de rust die het water uitstraalde. Natuurlijk was het een leven van je welste door de natuur. Vogels in alle soorten en maten, eenden, zwanen en natuurlijk veel, heel veel vis. Want ook al zaten we gezellig bi elkaar er lag altijd wel ergens een hengeltje in het water. De vrouwen waren al een paar keer opgeschrikt in de avondschemering door ratten die aan de overkant over de golfbrekers liepen. Nou waren het wel flinke ratten, sommige hadden de afmeting van flinke katten en ze waren zeker niet bang. Op het eilandje de Woude werd dan ook veel jacht gemaakt op dat ongedierte. Een van die weekenden was het weer een leven van je welste daar aan de overkant wat het domein was van die Ratten. Bart, de middelste zoon van Ome Piet en Tante Klaar, ging naar beneden en kwam terug aan dek met een flinke windbuks. Die avond hebben we behoorlijk erop losgeschoten of en hoeveel we er hebben geraakt?? Geen idee. Maar het was de komende dagen wel een stuk rustiger.

Natuurlijk was er ook veel tijd voor ontspanning, dan werden de hengels te voorschijn gehaald en was het een lommerrijke bedoening aan boord van die schuit.

De boot werd hoe langer hoe meer schip en het was tijd om de Woude achter ons te laten. Er moest een ligplaats gevonden worden waar het schip wat makkelijker benaderd kon worden om de materialen aan boord te brengen die nodig waren voor de afbouw. 

Hier op de Woude moest al het materiaal worden aangevoerd via de veerman en zijn oversized roeiboot, dat was natuurlijk geen ideale situatie.

 

 

 De Haukes aan het Amstelmeer

Voor zover ik me kan herinneren werd dat de jachthaven van De Haukes, een klein vissersdorpje aan de over van het Amstelmeer. De havenmeester was gelijk de kroegbaas van het dorpje en ik weet nog dat het elke vrijdag raak was. Je moest je namelijk melden bij de havenmeester als je het weekend aan boord door ging brengen. Dat melde gebeurde dus in de kroeg en tja, daar duurt het ‘melden’ nu eenmaal veel langer als dat de havenmeester even langs loopt.  

 Café de Posthoorn   TOEN  en  NU

De Boot zat inmiddels goed in de verf en het echte provisorische in het inwendige begon ook steeds meer vaste en blijvende vormen aan te nemen. Een van de weekenden dat vrijwel alles en iedereen aan boord was, bestond de club al snel uit een mannetje of tien. Het slapen ging prima, de meeste lagen in de kajuit. Om een uur of vier kwam de boot meestal zachtjes tot leven. Ome Piet en mijn vader gingen vissen. Bart, Pietje en ik gingen ook met de mannen de strijd aan met de vissen. Mijn moeder en Tante Klaar stonden meestal even op om Koffie te zetten en een boterhammetje klaar te maken voor de vissers en doken daarna weer terug in bed.

Tegen een uur of acht kwam de boot van binnen weer tot leven. De vrouwen waren druk in de weer met de slaapspullen weg te bergen en de grote tafel werd weer naar het midden geschoven en de stoelen werden er weer om heen gezet. De tafel werd gedekt voor het ontbijt. Dat meestal overvloedig was, maar met zo’n grote groep at je gewoon veel meer want het was vreselijk gezellig. Iedereen zat heerlijk te smikkelen en er werd volop gepraat. Toen plotseling een van de meiden een gil slaakte en naar het midden van de tafel wees. Daar kronkelde een dikke volgevreten made! Nog voordat ze van de schrik bekomen waren kwam er nog een en nog een en nog………Nou het was eigenlijk een soort regenbui geworden van maden die vanaf het stalen plafond een voor een naar benden kwamen. 

Omhoogkijkend bleek het daarboven te krioelen van die beestjes. De rapen waren gaar natuurlijk. Moord en brand! De daders waren snel aangewezen mijn vader en ome Piet waren de schuldigen! Mijn moeder viel tegen mijn vader uit “ik heb je nog zo gewaarschuwd om die rottige doosjes niet in de ijskast te zetten, nou zie je wat ervan komt!!” Natuurlijk dezelfde verwijten aan het adres van ome Piet en ook hij had eigenlijk geen verweer! Het eten werd zo veel mogelijk gered. Ondertussen moesten vele maden het met het leven bekopen. 

Dat leverde weer veel protest op van de beide schuldigen. “Niet dood maken hoor, gewoon weer in hun doosje doen anders hebben we straks niets om mee te vissen.” Ook dat viel eerst niet in goede aarde en leverde nogal wat commentaar op. Maar, zoals het meestal ging, een paar uur later werd er weer hartelijk om gelachen.

Zoeken naar goede visstekken

Naast het vele werk was er ook ruim tijd om gezellig te gaan varen en plekjes op te zoeken waar goede visstekken waren. Nou kwamen de goede visstekken vaak niet overeen met de plekken die tante Klaar en mijn moeder het aantrekkelijkst vonden. Het ware meestal de plekken waar we voor anker konden gaan en dan vanaf de grote boot heerlijk in de luwte een hengeltje konden uitgooien.

Een van die zeldzaam mooie stekken was in het Balk-Zandkanaal, daar kon je uitstekend op de karpers vissen. We lagen een meter of tien van de wal af tegen een golfbreker. De mannen vingen behoorlijk en hadden het helemaal naar hun zin. De vrouwen liepen de zeuren dat ze eigenlijk wel even de benen wilde strekken. Tja en die dingen die gingen dus even niet samen. Plotseling zei mijn vader tegen de dames. Als we jullie nou even op de dijk aan land zetten, kunnen jullie heerlijk een stuk lopen en dan pikken we jullie daarna weer op. Meteen werd geopperd dat dat niet ging, de boot kon gewoon niet dichter bij de kant komen. Niet voor een gat te vangen, had mijn vader ook daar de oplossing voor. Aan boord was een heel klein roeibootje, dat altijd in de Davids achter op het schip hing. Dat bootje werd dus achter het schip te water gelaten en aan mijn werd de eer toebedeeld om de dames naar de kant te roeien. Nou was het bootje te klein voor drie personen dus het moest om de beurt.
Een voor een de dames netjes op het droge gezet aan de voet van de dijk langs het Balk-Zandkanaal. Vrolijk zwaaiend trokken ze erop uit. Ik was nog net niet terug bij de boot met die dinky of er klonk een vreselijk gegil vanaf de kant. Ik keek om en zag die twee vrouwen aan komen rennen. Wild zwaaiend en gillend dat ze meteen terug aan boord moesten. Ik keek omhoog en zag daar de heren vol overgave staan lachen dat het een lieve lust was. Zij zagen wat ik dus niet kon zien, op de dijk liep een behoorlijk uit de kluiten gewassen stier nogal vervaarlijk te snuiven en te blazen. Daar waar de vrouwen behoorlijk in paniek waren en maar een ding wilde, zo snel mogelijk terug naar de boot. Stonden de mannen nog steeds vrolijk te lachen. Ik was inmiddels gedraaid en was terug aan de kant, waar mijn moeder me sommeerde om uit te stappen. Protest hielp niet, ik werd bijna uit dat bootje getrokken en voor ik het wist stond ik tot mijn middel in het water en zaten de dames, vechtend met de roeispanen, aan boord. De stier stond inmiddels aan de waterkant en bleef met zijn voorpoten in het water stokstijf staan. Ik heb het bootje met de dames erin teruggeduwd naar de boot alwaar ze snel weer boven aan dek stonden. De beide mannen stonden nog steeds te lachen wat ze ook niet in dank werd afgenomen. Het verhaal stak jaren achterelkaar telkens weer de kop op en wordt bijna grijs gedraaid!

De Stier op de dijk!!

Inmiddels was de boot een eind onderweg in de afbouw. Voor mij is de leukste tijd geweest dat alles lekker primitief was en dat we met z’n alle allemaal lekker geïmproviseerd aan boord bivakkeerde. De Boot kreeg zijn vaste ligplaats in Loosdrecht. Bij de jachthaven van Serry. Daar was het mondaine leven en de discotheken trokken en het opstap gaan werd voor mij belangrijker dan hengeltje uitgooien!

Neemt niet weg dat het heerlijke jaren waren waar ik met heel veel plezier op terug kijk !